31 oktober 2014

Liefde


Liefde

Al heel lang wordt liefde in onze cultuur beschouwd als een gevoel, het meest begerenswaardige gevoel dat we kennen. Maar gevoelens zijn veranderlijk. Je kunt er niet op vertrouwen dat ze lang zullen blijven bestaan. Je kunt heel verliefd op iemand zijn, en een maand later weinig of niets meer voor die persoon voelen. Gevoelens slaan op een zeker moment onvermijdelijk om in hun tegengestelde. We interpreteren onze ervaringen op basis van emoties en gevoelens, in plaats van de ervaring gewoon te zijn. Het heen en weer geslinger tussen goed en slecht, fijn en niet fijn legt een waas over de werkelijkheid.
Ook seksualiteit wordt op die manier ervaren: als een emotie die, het liefst onmiddellijk, om ontlading vraagt. Dat maakt het beleven ervan gecompliceerd, want hierdoor wordt seksualiteit een verwarrend mengsel van lustbevrediging, ego-manifestatie, liefde en onzekerheid. We vergeten onderscheid te maken tussen de vloeibaarheid van de liefde en de dwingende eisen van de emotie. 

Liefde in haar zuiverste gedaante is onuitputtelijk en onvoorwaardelijk. Ze is nooit dwingend en stelt geen eisen, en kan daarom geen emotie zijn. Emotionele hebzucht, die meestal een onderdeel vormt van onze seksualiteit, is altijd op zoek naar bevrediging. 

In het orgasme vindt hij een tijdelijk einde. Als je liefhebt met zo’n eindpunt in gedachten, komt het liefhebben zelf ook tot stilstand. Alleen door je niet meer te identificeren met de emoties rondom seksualiteit verbreek je je gehechtheid eraan, en maak je ruimte voor een andere, onpersoonlijke vorm van liefde. In India noemt men die van oudsher ‘karuna’. Het is wellicht veelbetekenend dat we er in onze eigen kultuur geen apart woord voor hebben.
Relatie en seksualiteit – hoe vaak zijn ze niet een bron van onzekerheid en frustratie? En hoe zijn problemen op dit gebied op te lossen? Barry Long, de Australische leraar die veel nadruk legde op liefde en seksualiteit, had een eenvoudig antwoord: “Als de vrouw bemind wordt zonder de haast van eigenbelang, opent ze zich als een bloem, en vloeit de onbeschrijflijke spirituele schoonheid van de vrouw over in de man. De liefde tussen man en vrouw is het begin van de liefde voor God.”
Toen in 2006 het bestaan van spiegelneuronen werd aangetoond, beweerden sommige wetenschappers dat de materiële basis van de liefde gevonden was. Spiegelneuronen zijn speciale cellen in de hersenen van apen en mensen, die in actie komen als een handeling gezien of gehoord wordt. Als je iemand een appel ziet of hoort eten, gaan dezelfde neuronen vuren als op het moment dat je zelf een appel eet. En hersenscans hebben laten zien dat het niet uitmaakt of je nu geld aan een goed doel geeft of hetzelfde bedrag als beloning ontvangt. In beide gevallen lichten dezelfde groepen hersencellen op.
Wie positieve gevoelens ten aanzien van zichzelf koestert, is dus ook in staat die voor een ander te koesteren. 

Maar die gevoelens zijn veranderlijk en van voorwaarden en omstandigheden afhankelijk. Wederzijdse verwachtingen creëren al snel een spel van ‘voor wat, hoort wat’, en voor ze het weten zitten geliefden gevangen in de dualiteit van angst en verlangen. Liefde is lijden, want gehechtheid aan het liefdesobject maakt lijden onvermijdelijk als dat object verdwijnt of verandert. Liefde wordt gezien en ervaren als de tegenpool van haat, en als omstandigheden veranderen, kan persoonlijke liefde zomaar omslaan in haat. Ergens onderweg kan ze ook nog de gedaante van verlangen, gemis, jaloezie, bezitsdrang, schuld en onderdrukking aannemen. Hoe volwassen we ook over de ideale liefde praten, we zien niet dat al die verhalen niet meer zijn dan varianten op het oersprookje van de prins op het witte paard, die de prinses verovert en dan lang en gelukkig met haar verderleeft. Van oudsher wordt er in traditionele religies als het christendom, het hindoeïsme en de islam over een andere vorm van liefde gesproken: de liefde van en voor God. Gedachten, gevoelens en waarnemingen worden gezien als manifestaties van de liefde van God, en worden, als het goed is, ook weer als liefde naar ‘hem’ teruggestuurd.
De mystieke tradities geven echter aan dat liefde ‘iets’ anders is. Ze spreken over een paradoxale ervaring, omdat (vrijwel) iedereen de liefde als werkelijkheid heeft ervaren, maar ze tegelijkertijd niet te veroveren en niet te beschrijven valt. Ze is ongrijpbaar, niet aan te tonen, net als dat andere niet-fenomeen dat aan elke beschrijving weet te ontsnappen: onze aanwezigheid als Bewustzijn. In beide verdwijnt het ik-gevoel in een ‘ruimte’ die geen grenzen kent en altijd nieuw is. 

Liefde dwingt God zijn masker af te zetten, en wat tevoorschijn komt is één grote glimlach.
Maar de hele grote meesters hebben toch iets van de smaak en de onpeilbare diepte van de liefde onder woorden weten te brengen. Dat maakt hen ook zo groot. Ik denk dan bijvoorbeeld aan Nisargadatta, die in I Am That het volgende zegt:
“Maak jezelf niet wijs dat je anderen liefhebt als jezelf. Tenzij je tot het besef bent gekomen dat ze één zijn met jezelf, kun je ze niet liefhebben. Pretendeer niet te zijn wat je niet bent, weiger niet te zijn wat je wel bent. Zonder zelfrealisatie is geen deugd oprecht. Als je zonder enige twijfel weet dat hetzelfde leven stroomt door alles wat is en dat jij dat leven bent, zul je iedereen spontaan en op natuurlijke wijze liefhebben. Als je de diepte en volheid van je liefde voor jezelf beseft, weet je dat elk levend wezen en het hele universum deel uitmaken van je affectie. Maar als je ook maar één ding als los van jezelf ziet, kun je het niet liefhebben, want dan maakt het je bang. Vervreemding brengt angst, en angst vergroot vervreemding. Het is een vicieuze cirkel. Alleen zelfrealisatie kan die doorbreken.”
Hoe dan ook: de kern van elk verhaal is toch weer dezelfde: liefde is de natuurlijke uitdrukking van de Eenheid die iedereen in zijn essentie is.

Bron: http://www.hanvandenboogaard.nl/columns.html

Geen opmerkingen:

Een reactie posten